Nieuws

Collega Peter van der Lende, die dit jaar met pensioen gaat, deelt zijn herinnering aan een reis naar Tibet.

"In 1986 waren we voor het eerst in Tibet. We vingen de reis aan in de oude hoofdstad Tsetang in de Yarlung-vallei. De gelijknamige rivier watert een enorm deel van de Himalaya af. Door het noordoosten van India stroomt ze verder als Brahmaputra naar de Golf van Bengalen. We werden, zoals altijd in die dagen, begeleid door een stadse Chinees, die het in Tibet allemaal maar primitief vond. We gingen op weg, stroomopwaarts langs de rivier. Het weer was schitterend en de stemming opperbest. Links hoge woeste toppen, rechts de kilometersbrede rivier, die hier bestond uit diverse waterlopen. Na een uur of twee stopten we bij een soort strandje. We moesten de rivier oversteken op weg naar het afgelegen klooster van Samye en zouden dat doen met een eenvoudige boot van hout en jakleer. We stapten in en gingen op kleine houten krukjes zitten. De rivier leek nu, vanaf het water, wel héél breed: machtige stromen zochten hun weg tussen ruige zandbanken met steenslag en struiken. In de verte, op de andere oever, rezen ongenaakbare rotspartijen en bergen op. Het was een fantastische ervaring om hier te varen, deskundig gepunterd en geroeid door twee Tibetaanse bootslieden in vuile jassen van schapenvachten. Het kon niet uitblijven: we liepen vast op een zandbank. Maar de bootslieden vertrokken geen spier en stapten het ijskoude water in om de boot vlot te trekken, daarbij geholpen door een passagier, een oude man met een gebedsmolentje en een in marmer gebeitelde glimlach. Enig ongemak overviel me. Zou ik ook niet het water in moeten? Gelukkig was de klus snel geklaard en voeren we verder. De noordoever kwam in zicht. Hier zou een bus ons opwachten, maar we zagen niets dan de verlaten ruigte van de bergen. Maar ook ontwaarden we een dreigend zwarte wolkenlucht. De Tibetanen in de boot zetten hun kragen op en trokken hun jassen strakker om zich heen. Dat bleek niet voor niets: ineens werden we getroffen door een harde windvlaag die het bootje deed schudden onder de striemende regen, sneeuw, hagel en zand die ze meevoerde. De oude Tibetaan bleef het molentje draaien; de glimlach week niet van zijn gezicht. Zo plotseling als de storm kwam opzetten, zo snel was hij weer verdwenen. Tien minuten later stonden we onder een blauwe lucht met een stralende zon op de zandige oever. Geen bus te zien... Mobieltjes bestonden nog niet. Volgens de Chinees had de bus hier moeten staan. Het klooster lag te ver weg om te gaan lopen. We gingen zitten en wachtten een poosje, in de stilte scherp luisterend naar geronk in de verte. Na enige tijd besloot ik het karrenspoor te gaan volgen en onze Chinese gids mee te nemen. Onwillig stemde hij toe en we liepen over het vage spoor de hoge oever op. Na enkele minuten reeds was de groep uit ons gezichtsveld verdwenen en ging het zwijgend tussen hoge rotsen verder. De stilte tussen deze machtige bergen was nu volkomen! Daardoor werd ik alert op het minste geluid, de minste beweging. De omgeving was betoverend, gigantische rotsen wierpen vreemde schaduwen en in de verte meende ik een vogel te horen krijsen. Ineens maakte de gids een sprong opzij van schrik. Hij dacht dat een rare rots op ons pad bewoog. Ik schrok natuurlijk ook en werd ongerust. Deze tocht moest niet te lang meer duren; we raakten in elk opzicht in de ban van de machtige aarde. Als antropoloog filosofeerde ik wat over de kracht van de natuur. Ik was ervan overtuigd dat ik, als ik hier zou leven, beslist zou gaan geloven in de bezieldheid van deze stenen woestenij. Gelukkig hoorden we eindelijk het gerucht van een motor. Die bleek plots vlakbij: een tractor met een aanhangwagen was op weg naar ons toe, gechauffeerd door een gebogen, oude man. Onze voettocht had misschien drie kwartier geduurd. Voor mij was dat voldoende om dicht bij de gevoelens te komen van de mensen die zich in dit landschap staande houden. Geen wonder dat zij in hun rituelen proberen tot een vergelijk te komen met de hen zo dwingend omringende natuur. Tibet had mij een belangrijke les geleerd.

Tegenwoordig, 35 jaar later, is er een moderne autoweg en een brug over de rivier. Maar de landschappen zijn onveranderd. Wie er voor het eerst komt, kijkt zijn ogen uit. Wie er terugkomt, merkt dat het inderdaad zo is als hij het zich herinnerde. Met een speciale sfeer, oneindige hellingen en schijnbaar lege verten tussen witte toppen en blauw oplichtende meren, waar gebedsvlaggetjes in felle kleuren de oneindige bergwereld accentueren."